Wormen

Rondwormen
Haemonchus contortus. Deze worm veroorzaakt de meeste sterfte, zowel bij lammeren als volwassen dieren. Het veroorzaakt geen diarree maar door het bloedzuigen van de larven een bloedarmoede. De worm overleefd de winter in het slijmvlies van de lebmaag. Wanneer de hormoonhuishouding veranderd rond aflammeren ontwikkelen de larven zich verder tot volwassen wormen. Daarom scheiden ooien rond aflammeren veel eitjes uit. Hierom is het belangrijk om die dieren voor aflammeren te ontwormen of zo mogelijk net voor het uitscharen.
Trichostrongylus-soorten. Deze worm veroorzaakt aantasting van de slijmvliezen in de lebmaag. Hierdoor krijgen de dieren last van diarree. Alleen lammeren die nog onvoldoende weerstand hebben opgebouwd zijn gevoelig.

Teladorsagia circumcincta. Alleen bij ernstige besmetting ziet men diarree. De problemen worden vooral gezien bij lammeren in najaar en zomer. De larven overleven zowel op het land als in de lebmaag.

Nematodirus-soorten. Deze worm veroorzaakt ernstige diarree, dorst en sterfte. Het komt niet op alle bedrijven voor en de larven overwinteren op het land. Vooral lammeren tussen zes en twaalf weken leeftijd worden besmet.

GeitenLintwormen

Deze worm wordt als enige met het blote oog waargenomen. Echter meestal zorgt deze niet voor gezondheidsproblemen. Onder normale omstandigheden is het dan ook niet nodig om de dieren hiervoor te behandelen. Deze worm heeft een indirecte cyclus en dan betekent dat de worm een tussengastheer nodig heeft om te ontwikkelen. Bij deze worm is dat een grasmijtje.

Platwormen

Dit is leverbot. Ook deze worm heeft een tussengastheer nodig namelijk een zoetwaterslakje. Deze slakjes leven alleen in een vochtige omgeving, een natte hoek of een slootkant kan al genoeg zijn.

Advies voor het ontwormen

Wanneer de dieren in een veilige weide staan: tussen mei en juli worden de dieren steeds binnen drie weken verplaatst waar ten minste drie maanden geen schapen of geiten hebben gelopen. Van juli tot september moeten de gespeende lammeren binnen twee weken worden verweidt. Dan is het niet nodig de dieren te ontwormen. In ieder geval rond 1 juli moeten de dieren een mestonderzoek hebben gehad. Als deze uitslag positief is dan moeten de dieren worden ontwormd. Als de lammeren langer dan 6 weken op het weiland blijven dan moeten ze na acht weken nogmaals gecontroleerd worden. Wanneer uit het onderzoek van 1 juli niets is gekomen dan moet het mestonderzoek half augustus nogmaals worden herhaald.

Wanneer dieren niet worden gewisseld van weide dan moeten deze dieren om de drie a vier weken een mestonderzoek krijgen en alleen worden ontwormd wanneer dit nodig is.